HUURTOESLAG TERUGBETALEN BIJ HUURACHTERSTAND, OF TOCH NIET? 19-04-2017

HUURTOESLAG TERUGBETALEN BIJ HUURACHTERSTAND, OF TOCH NIET?

De belastingdienst ziet toe op de juiste besteding van overheidsgelden. Zij controleren dus of dat de toeslag die zij uitkeren wordt gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is. De huurtoeslag is zo’n toeslag. Indien de huurtoeslag niet op juiste wijze wordt besteed dan bestaat er het risico dat reeds toegekende huurtoeslag door de belastingdienst wordt herzien en op nihil wordt gezet. Kan dit direct als er sprake is van een huurschuld en moet de huurtoeslag dan worden terugbetaald? Bij een reeds aanwezige huurschuld zal de schuld hierdoor alleen maar groter worden. Recentelijk heeft de Raad van State hierover geoordeeld.

Uitgangspunt

In artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet op de huurtoeslag staat dat huurtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk is in de kosten van het huren van een woning. De hoogte van de toeslag is voorts afhankelijk van onder andere de hoogte van de huur (artikel 21, artikel 5 lid 1 en artikel 1, aanhef en onder d Wet op de huurtoeslag).                                                                                                                                                                                                                                                                                                                             Op de Wet huurtoeslag is tevens de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing. In artikel 18 lid 1 van die wet is bepaald dat een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen dienen te verstrekken die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn. Uit alle hiervoor genoemde artikelen samen volgt dat degene die aanspraak maakt op huurtoeslag, in de eerste plaats moet kunnen aantonen dat hij een huurprijs verschuldigd is.

Casus

In het aan de Raad van State voorgelegde geschil stond vast dat de huurster een deel van de door haar in 2014 verschuldigde huurprijs niet onmiddellijk had voldaan. De Belastingdienst/Toeslagen herzag voorts de huurtoeslag en stelde deze op nihil omdat de rekenhuur hoger zou zijn dan de maximale rekenhuur.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         In beroep bij de rechtbank wijzigde de Belastingdienst/Toeslagen de motivering van haar besluit en stelde zich op het standpunt dat de verschuldigde huurprijs niet tijdig en volledig was voldaan, zodat de huurster niet in aanmerking kwam voor huurtoeslag over het berekeningsjaar 2014. De Rechtbank vernietigde weliswaar de beslissing omdat de belastingdienst haar motivatie in hoger beroep had gewijzigd en daardoor de grondslag van het besluit was vervallen, maar zij liet de gevolgen in stand. De rechtbank oordeelde dat vast stond dat de huurster de in 2014 overeengekomen huurkosten niet volledig had gedaan en derhalve de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd was het aan haar toegekende voorschot huurtoeslag te herzien en op nihil te stellen. De huurster was het er niet mee eens en ging in hoger beroep bij de Raad van State.

Eerdere uitspraken van de Raad van State

Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden meebrengt dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt in beginsel de verschuldigde huurprijs daadwerkelijk ten tijde van, of kort na het verstrijken van de periode waarop de betalingsverplichting betrekking heeft, voldoet. Dat laat evenwel onverlet dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan aanleiding bestaat om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Aan de Raad van State lag derhalve de vraag voor of zich in deze zaak dergelijke omstandigheden hadden voorgedaan.

De Raad van State oordeelde op 15 februari 2017 als volgt

Hoewel vast stond dat huurster de overeengekomen huurprijs niet volledig had voldaan stond tevens vast dat huurster aan haar verhuurder betalingen had verricht om de huurachterstand als gevolg van storneringen in te lopen. Eveneens kon worden aangetoond dat de huurster met haar verhuurder een betalingsregeling was overeengekomen en zij in dit kader betalingen had verricht om de achterstand in te lopen. De enkele omstandigheid dat huurster derhalve haar huur niet volledig ten tijde van of uiterlijk kort na het verstrijken van de periode waar de betalingsverplichting betrekking op heeft, had voldaan bracht naar het oordeel van de Raad van State niet met zich mee dat huurster reeds om die reden geen aanspraak meer kon maken op huurtoeslag. De Raad nam in haar oordeel mee dat de verhuurder een professionele instelling betrof, huurster nog steeds in de betreffende woning woonde en er geen aanleiding bestond om aan te nemen dat de verhuurder niet zou aandringen op volledige betaling van de huurschuld. Onder deze omstandigheden bestond er geen grond voor het oordeel dat huurster de in 2014 verschuldigde huurprijs, voor zover zij die nog niet had betaald, niet meer verschuldigd zou zijn en dat het door haar ontvangen voorschot huurtoeslag voor 2014 niet juist zou worden besteed. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich niet op het standpunt mogen stellen dat reeds omdat de verschuldigde huurprijs niet tijdig en volledig is voldaan, er geen recht op huurtoeslag bestond. Het hoger beroep werd gegrond geoordeeld. De slotsom was dat enkel onder bepaalde voorwaarden de Belastingdienst/Toeslagen het recht op huurtoeslag op nihil mag zetten.

Heeft u nog vragen naar aanleiding van het bovenstaande, neem dan contact met ons op. U kunt de uitspraak van de Raad van State nog eens nalezen op RvS 15 februari 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:412

Overige artikelen